2011 Internationaal jaar van de bossen – Bossen: natuurgebieden in gevaar

This post is also available in: Engels.

Luchtfoto van het project van Lovejoy in Manau, Brazilië.

Bossen, wereldwijd, lopen gevaar. Ook op ons eiland. Op televisie en in de krant wordt regelmatig verteld dat bossen worden omgehakt, platgebrand, weg gebulldozerd, leeggeroofd en zo nog het een en ander. Termen als biodiversiteit, habitat vernietiging, verarming en erosie worden allemaal gebruikt wanneer de gevaren voor de bossen worden geïllustreerd. Maar wat houdt dit allemaal precies is? Wat gebeurt er nu eigenlijk als er een stuk bos wordt weggehaald terwijl er nog vele stukken zijn. En hoe zit dat op ons eiland?

Eén systeem

Bossen zijn meer dan een collectie bomen en planten, de innige verstrengeling tussen bomen, planten, epifyten, parasieten, bodemorganismen, humus, schimmels, predatoren, prooidieren, bladeters, vruchteneters, vleeseters, en al de andere relaties die er zijn maakt een bos tot ‘één levend organisme’ wat een vitale kracht heeft, adem haalt, zich voortplant en zichzelf onderhoudt. Haal een onderdeel weg of beperk het organisme in zijn ‘leven’ en het systeem begint langzaam maar zeker in elkaar te storten tot er niets meer van over is. Men beseft te weinig dat dit het voornaamste probleem is waar de natuur mee te maken heeft. De verschillende gevaren waar een bos aan onderhavig is zijn allemaal op zich een probleem voor bepaalde soorten of stukken bos, het grootste probleem is echter het feit dat het geoliede systeem niet meer kan functioneren.

Het project van Tom Lovejoy

Dit werd voor het eerst duidelijk dankzij het wetenschappelijk ecologisch project van bioloog Tom Lovejoy en zijn studie naar de werking van het tropisch regenwoud in de Amazone. Lovejoy vertrok in de jaren 60 naar Brazilië en heeft pionierswerk gedaan op het gebied van de ecologie van tropische bossen. Wat hij wilde weten was wat er zou gebeuren met stukken bos die geïsoleerd werden door oprukkende vernietiging. Grote stukken Amazone werden, en worden nog steeds, kaal gemaakt voor landbouw en veeteelt. Daarbij blijven er soms kleine stukjes regenwoud over tussen de verschillende boerderijen waar de dieren die verdreven werden uit het bos wat werd ontgonnen, een soort reservaat vonden. Lovejoy en zijn team van wetenschappers zetten systematisch studiestukken op in gebieden waarvan bekend was dat ze zouden worden ontgonnen. De stukjes reservaat hadden steeds verschillende grootten variërend van stukken van 1 hectare groot tot stukken van 1000 hectare. Allemaal nauwgezet beschermd en goed bestudeerd sinds het begin van de jaren tachtig. De belangrijkste vragen die Lovejoy met zijn experiment wilde beantwoorden waren: Wat is de grens voor de achteruitgang van het regenwoud?; Wat is het laagste uiterste voor een werkend systeem?; Wat is de minimale kritieke omvang van een stuk Amazonisch regenwoud? Zeer waardevolle vragen voor natuurbeschermers over de hele wereld die hun hoofd aan het breken waren over de minimale grootte van natuurreservaten. Het is leuk en aardig om stukken natuur als beschermde natuurgebieden te bestempelen, maar hoe groot moeten deze stukken zijn om te garanderen dat de systemen in deze gebieden kunnen blijven werken in plaats van langzaam af te sterven? Is het beter om één groot stuk natuurgebied te beschermen of moeten het juiste een heleboel kleine stukjes zijn die verspreid zijn?

Kleine gebieden zijn te klein

Tijdens het experiment werd het al snel duidelijk dat de kleine natuurgebieden, van 1 en 10 hectare, hun waarde totaal verloren. De grote predatoren waren de eerste dieren die weg waren, gevolgd door de andere grote vegetarische zoogdieren. De hoeveelheid voedsel was simpelweg te weinig om te kunnen overleven. Al gauw vertrokken ook de apen. Met de vogels ging het heel anders, in eerste instantie nam het aantal vogels in de stukken bos toe, vanwege het feit dat alle vogels uit de kaal gemaakte stukken huisvesting zochten in de stukjes die over waren. Door gebrek aan voedsel, en de veranderende omstandigheden in de kleine reservaten vertrokken ze echter al gauw. De bodem in de stukjes droogde op, door directe instraling van de zon en meer invloed van de wind ging de luchtvochtigheid omlaag, werd het heter en droger. De bomen aan de randen van de stukjes bos raakten bladeren kwijt door zonnebrand, de bodem droogde uit waardoor de wortels zich niet meer konden vasthouden en de bomen gingen omvallen. Epifyten verdwenen en na verloop van tijd was er niets anders over dan een stukje dood bos, waar gras en andere planten uit de landbouwgebieden welig tierden tussen de dode stronken.

Luchtfoto van een stukje van de Amazone

Maar relatief grote gebieden ook …

Maar ook binnen de grotere stukken begonnen er na verloop van tijd veranderingen op te treden. De belangrijkste observatie was een gestage afname van de biodiversiteit, simpel gezegd: er verdwenen soorten. De reden daarvoor is het feit, dat binnen een gezond stuk ecologie er een constante, zij het zeer langzame, verschuiving van soorten optreedt. Bepaalde soorten sterven uit, anderen nemen hun plaats in door van elders naar het bewuste gebied toe te strekken. Het komt zelfs voor dat subgroepen van bestaande soorten zich op zodanige wijze aanpassen om het gat op te vullen van de uitgestorven soort dat het nieuwe ondersoorten, en na voldoende tijd, nieuwe soorten worden. Dit mechanisme wordt veroorzaakt door het ontstaan van ‘foutjes’ in de genetische code van zo’n soort, zogenaamde mutaties, waarvan er heel af en toe een gunstige verandering ontstaat. Het resultaat van dit proces in een gezond stuk natuur is een stabiele biodiversiteit, of zelfs een toename daarvan. In de geïsoleerde gebieden binnen het experiment van Lovejoy begon uitsterving echter de overhand te krijgen, omdat vervangende soorten niet meer de kans kregen om het gebied te bevolken. Ook het ontstaan van nieuwe ondersoorten werd verstoord omdat de gebieden toch te klein bleken voor het effectief blijven van het mutatiemechanisme.

Alhoewel we op Curaçao geen hele grote predatoren hebben, zijn er wel roofdieren waar rekening mee gehouden moet worden. De roofvogels zijn onze 'grote' predatoren en hebben doorgaans een groot leefgebied nodig om te overleven. Voor de witstaartbuizerd wordt het steeds moeilijker om te overleven.

Kleine eilanden: gevoelig voor verstoring

Het Lovejoy experiment is van grote relevantie voor de natuur op eilanden, zoals Curaçao. In feite was het experiment namelijk in eerste instantie opgezet om te bestuderen hoe de natuur op kleine eilanden functioneert. Kleine eilanden zijn per definitie gevoelig voor verstoring. Het kleine oppervlak van dit soort eilanden zorgt voor innige relaties tussen flora en fauna en hun omgeving, alhoewel juist vanwege de kleine oppervlakte de soortenrijkdom en de omvang van de populaties lager is dan op de continenten, en maakt dat de natuurlijke processen van uitsterving, herbevolking en het ontstaan van nieuwe ondersoorten en soorten zo onverstoord mogelijk hun gang moeten kunnen gaan. De mens heeft echter de neiging om de reeds beperkte natuurlijke ruimte nog kleiner te maken voor wat gezien wordt als ontwikkeling, waardoor soorten sneller zullen uitsterven. De natuurlijke aanwas van vervangers wordt verstoord, terwijl er regelmatig soorten door de mens worden binnengebracht die juist chaos aanrichten, denk maar aan de red palm weevil, de koraalduivel, de pal’i lechi, de lijst is inmiddels vrij lang. Willen wij onze bossen levensvatbaar houden dan kan de conclusie alleen maar zijn, dat we ze zo groot mogelijk moeten houden. Her en der een reeks kleine natuurgebiedjes afbakenen heeft geen zin. De natuur gaat dood van het instellen van grenzen.

Michelle da Costa Gomez

About Michelle da Costa Gomez